Huis bij de Zee

Waarheen gaat de wind als zij moe is?
Legt ze zich neer op een rustige rotsige plek of blijft ze hangen tussen de zoete naalden van een zee-den?

Waarheen gaat de meeuw als zij moe is? Laat ze zich met een zucht op het water zakken, zachtjes peddelend met haar poten, zich eenvoudig overgevend aan de stroom van het water? Of spreidt ze slechts haar witgrijze vleugels en laat ze zich gedachteloos meenemen door de wind? Vindt ze een grijze rots waar ze ten lange leste haar turende, priemende blik kan neerslaan?

Waarheen gaan gedachten wanneer zij moe zijn, de geest wanneer ze is uitgeput? Jut zij zichzelf steeds verder op, als een trein zonder remmen, of zoekt zij rotsen waar ze zich tegenaan kan vleien? Lagunes waar ze in kan wegzakken? Misschien roept zij, net als een kind: help me! Leg me neer! Geef me een zacht bed waar ik tot rust kan komen! Jut me niet langer op, maar geef me een kalme baai, uit de wind, met zacht, wit zand en zeeblauw water!

Ik denk het. 
Maar wie luistert?